In restaurant Ô Petit Monde zat ik lekker weggezakt in de kussens naar zee en strand te kijken. Menukaart erbij, wijnkaart erbij. Ik besloot een Bandol A.O.C. te bestellen. Dat glas werd vervolgens naar de tafel gebracht alsof ik zo’n beetje de heilige graal had besteld. Een knikje van de ober. Een knikje van mij terug. De ober bleef staan en ik nam een slokje.
Als je zo ‘onder begeleiding’ een van de bekendste producten uit de regio proeft, met zee en strand op de achtergrond, drink je geen wijn, maar ervaar je wijn. Een knikje van mij. Een knikje van de ober terug.
Met mijn beperkte wijnkennis pas ik eigenlijk niet in een streek die bekend staat om zijn wijnen. Als je hier een glas rosé bestelt, blijft de ober nog even staan. Met rosé alleen, bén je er namelijk nog niet. Daar begint het pas: vanaf dat moment moet je keuzes maken, en – wees gewaarschuwd – als je op dat moment niet iets uit de regio bestelt, blijft de ober nóg langer bij je tafel staan.

Als de wijn bevalt, rijd je in deze streek niet naar de Gall&Gall, maar rijd je naar het domaine. In en om het aangrenzende dorp Le Castellet bevinden zich namelijk de Bandolwijngaarden. Die liggen aan een weg die voor 1 rijrichting is bedacht, maar voor 2 rijrichtingen wordt gebruikt. Het vraagt een ijzeren wil (heb ik niet) en een ongekende portie lef (heb ik niet) om door te rijden op collision course, tot het moment dat een van de coureurs zoveel mogelijk naar rechts gaat om de ander te laten passeren. Hier geldt het recht van de sterkste. Dat recht heb ik hier zeker niet.

Vanaf Sanary is het zo’n 15 kilometer rijden naar Domaine de L’Olivette, de geboorteplaats van de rosé die ik in Ô Petit Monde dronk. Het lijkt wel alsof het domein zich opzettelijk verschuilt. Het is een zoektocht met links en rechts kronkelige weggetjes die naar prachtige wijndomeinen leiden. Eenmaal aangekomen bij Domaine de L’Olivette zie je niet waar je uitkomt, maar je ziet wel waar je rijdt. Een prachtig pad tussen de wijngaarden. Even vraag ik me af of het wel de bedoeling is dat ik het als verdwaalde Nederlander op zo’n prachtige plek ben. En toch zit ik goed. Ik zit júist goed. De zon schijnt. Vanuit de wijnvelden wordt naar me gezwaaid. Raampje open. Ik zwaai terug.
